•  

    december 2009
    M D W D V Z Z
    « Nov    
     123456
    78910111213
    14151617181920
    21222324252627
    28293031  

Across The Universe (2007)

Lucy & Jude in the sky with diamonds

Om met een eufemisme van jewelste te beginnen: musicals zijn niet bepaald ons kopje thee. Personages die telkens weer spontaan in zingen uitbarsten, waarna vaak nog eens de hele omgeving mee begint te kwelen, we zullen het allicht nooit helemaal begrijpen. Om maar te zeggen: dat we Across The Universe (intussen meer dan twee jaar oud) zo lang links lieten liggen, heeft een gegronde reden. Maar dan komt daar het moment waarop je toch zwicht. En het kan deels aan het verwachtingspatroon gelegen hebben, maar kijk eens aan: we hebben er toch wel keihard van genoten zeker?

Het (al te?) eenvoudige liefdesverhaal wordt geruggesteund door de prachtige beelden.

Het concept van Across The Universe is best eigenaardig en misschien nog best te zien als een combinatie van het beste van Moulin Rouge (het eenvoudige maar krachtige liefdesverhaal), Hair (de hippies en protestbewegingen uit de sixties) en Mamma Mia! (het schrijven van verhaallijnen in functie van de bestaande songs en niet omgekeerd). Al moeten we bij dat laatste wel een kanttekening maken. Across The Universe put namelijk uit het oeuvre van de Beatles in plaats van ABBA en tot spijt van wie het benijdt: zowel kwanitatief als kwalitatief geeft dat de regisseur onnoemelijk meer mogelijkheden. Neem nu ‘I Want You (She’s So Heavy)’: niet meteen hun grootste hit, maar wel een pareltje én perfect als achtergrond bij de dienstplicht voor de Vietnamoorlog (de link met Uncle Sam, weet u wel). Bovendien is er niet al te nadrukkelijk geprobeerd om de bekendste Beatles-nummers een plaats te geven in de film. Enkel ‘Let It Be’ wordt ons een beetje in de strot geramd in een onnodige sequens over rassenrellen. Er is echter geen spoor van bijvoorbeeld het vooraf in onze ogen onvermijdelijk geachte ‘Yesterday’ of ‘A Day In The Life’. Het pleit voor de scenaristen dat ze bij momenten moedig genoeg waren om dergelijke makkelijke keuzes uit de weg te gaan.

Een pluim ook voor de casting: de tot dan toe vrijwel onbekende Londenaar Jim Sturgess is subliem als Jude (inderdaad ja), een jongeman die de oversteek naar Amerika maakt om zijn vader te zoeken, een soldaat die Jude’s moeder ontmoette tijdens WO II. Sturgess kent u inmiddels mogelijk ook van de hippe casinothriller 21, maar hier is hij in zijn doorbraakrol een pak beter op dreef. Met zijn platte Britse tongval weet hij de songs een oprechtheid mee te geven die in de meeste musicals én in vele Beatlessongs ver te zoeken is. Hoe geweldig de Fab Four ook waren op in hun meest experimentele momenten, ze brachten natuurlijk ook onwaarschijnlijk stroperige popdeuntjes uit. Sturgess slaagt er echter in om zelfs ‘All You Need Is Love’ af te breken tot zijn meest breekbare essentie. Petje af. Love interest Lucy (merk ook hier weer de referentie op) krijgt met Rachel Evan Wood een veel minder geslaagde keuze. Wood heeft een behoorlijk mooie musicalstem, maar klinkt zo braaf en glad dat ze er nooit in slaagt enig gevoel op te wekken bij het publiek. Ze heeft gelukkig wel een excuus: de songs die zij bedeeld kreeg, zijn van de meest stroperige die de Beatles ooit voorbrachten (en dat wil wat zeggen). Enkel ‘Blackbird’ springt er wat dat betreft bovenuit, meteen ook het sterkste moment van Wood in de hele film.

De andere personages blijven wat meer op de achtergrond en zijn lang niet zo interessant (we zien onder meer een flauwe Jimi Hendrix-wannabe), de cameo’s zijn dat daarentegen wél. Ook hier niets dan referenties naar de Beatles, hun nummers en het tijdperk waarin ze destijds vertoefden: we zien onder meer een soort Yoko Ono langskomen. Zowat alle cameo’s vallen op zijn minst bizar te noemen. Bono leidt een bus hippies op een soort LSD-trip van de west- naar de oostkust, onze favoriete komiek Eddie Izzard speelt een surreële Mr. Kite uit het gelijknamige nummer, Joe Cocker zingt vanuit drie karikaturale personages ‘Come Together’ (en doet dat wondermooi). Allemaal best leuk, al kunnen we zelden zeggen dat ze ook echt een meerwaarde vormen (en al zeker niet voor het verhaal). Maar dat zal regisseur Julie Taymor worst wezen.

Onze vooroordelen over musicals én moderne kunst kregen een ferme dreun te verwerken.

Taymor heeft zich immers eens goed uitgeleefd met dit curiosum. Ze beperkt zich dan ook niet tot het aaneenrijgen van de nummers, maar gaat naarmate de film vordert cinematografisch steeds meer de experimentele toer op. Wat dat zoal inhoudt, bekijkt u best zelf eens. Het culmineert wat ons betreft in ieder geval in één van de meest memorabele scènes van de laatste jaren: ‘Strawberry Fields Forever’ doet eerst dienst als verwoording van een relatiecrisis (het kunstwerk met de ‘bloedende’ aardbeien is oogstrelend mooi) en gaat vervolgens over naar de bombardementen in Vietnam, waar aardbeien dan weer de plaats van de bommen innemen. Goed, de vormexperimenten zijn hit and miss, maar Taymor is duidelijk op de goede weg en bracht een heel verfrissend stukje cinema uit. Across The Universe lijkt op dat vlak wat op de indiehit van dit jaar, (500) Days Of Summer. En dat kan alleen maar een compliment zijn.

Ondanks het feit dat de vele sideplots vaak onnodig het centrale verhaal naar de achtergrond duwen (wat de carrière van zangeres/huisbazin Sadie in deze film doet, is ons nog steeds een raadsel), blijf je als kijker toch de hele tijd geboeid kijken. Er is dan ook zo veel om je ogen de kost te geven, dat je zelden stilstaat bij waar de film nu eigenlijk naartoe gaat. En wie zich toch een moment zou vervelen, kan nog altijd een poging doen alle culturele referenties op te sporen. Het zijn er verdorie meer dan in Inglourious Basterds, willen we wedden. Voor ons had Across The Universe naast dit alles nog een beangstigende dimensie. Musicals boren we vaak (terecht) de grond in, maar na Moulin Rouge en Sweeney Todd zien we hier op enkele jaren tijd een derde wonderlijk geslaagde, originele invulling van het door ons zo verwenste genre. Zijn er dan toch geen zekerheden meer?

Tijs Vanderstappen

2012

Er was eens, heel binnenkort, ..

Rijkelijk laat, maar kom: ziehier alsnog onze kritische blik op het nieuwe onheilskindje van Roland Emmerich, 2012. Nuja, onze zo kritisch mogelijke blik dan toch. We bekenden eerder immers al een boontje te hebben voor de meester van de rampenfilm. Maar soms zijn fans de strengste critici, laat dat vandaag ons doel zijn. De voorboden waren gelukkig goed (machtige trailer, het casten van John Cusack en Woody Harrelson) en met het creëren van een hype zat het ook al snor. Bij NASA zagen ze zich genoodzaakt een heel deel van hun website én callcenter te wijden aan geruststellingen. “Neen, op dit moment zijn er écht geen aanwijzingen dat het binnen drie jaar grondig fout gaat lopen met onze aardbol” of “Mevrouwtje, ik verzeker u: als we ons beginnen voor te bereiden op een evacuatie, bent u de eerste die het hoort!” Those silly Americans: gotta love ‘em!

John Cusack voelt al nattigheid

Maar de eeuwige vraag blijft natuurlijk: is 2012 ook echt uw zuurverdiende centjes waard? We kunnen alleen maar zeggen: Emmerich brengt alweer wat hij belooft. Dat is niet: een geloofwaardig, gelaagd verhaal met goed uitgewerkte personages. We zien een samengesteld gezin (een man met zijn ex, hun kinderen en haar nieuwe partner) geconfronteerd met hun dagelijkse en, zo zal snel blijken, banale probleempjes terwijl elders topwetenschappers tot de conclusie komen dat er stront aan de aardse knikker is. Grondwater dat spontaan begint te koken: het betekent natuurlijk zelden veel goeds. Ons geweten wordt echter meteen gesust tijdens de voor Emmerichs doen vrij lange maar niettemin nog steeds heerlijk simplistische inleiding: het is niet onze eigen schuld! Het gat in de ozonlaag verbleekt immers volkomen in vergelijking met wat de zon voor ons in petto heeft: zonnevlammen die de aardkern doen opwarmen, stel je voor. Jammer genoeg betekent dat ook dat we er niet geweldig veel aan kunnen verhelpen, wat de regeringsleiders (plots luisteren ze allen braaf naar de stotterende, uiteraard zwarte, Amerikaanse president) ertoe noopt om een massale evacuatie op poten te zetten.

Meer gaan we niet verklappen, al zijn er geen ongelooflijke plottwists, ook daarvoor moet u niet bij Emmerich zijn. Nu vraagt u zich misschien stilaan af: is er iets waar die mof wél goed in is? Hell yeah: actie en opperste spanning! 2012 is qua special effects een dikke middenvinger in het gezicht van de 3D-adepten: en óf er nog vooruitgang te boeken valt zonder de bioscoopganger een verlept brilletje op te dringen! De spectaculaire en compleet over-the-top opgezette scènes volgen elkaar razendsnel op. De vlucht van de familie Curtis in een limo doorheen een letterlijk uit elkaar spattend Los Angeles behoort zonder meer tot het beste wat het rampengenre op visueel vlak al heeft voortgebracht. En de spanning is eveneens te snijden. Ook al weet je best dat hoofdpersonage Jackson Curtis (Cusack op een oerdegelijke automatische piloot) écht niet het loodje zal leggen in het eerste uur (Emmerich wil hierna niet fin de carrière zijn in Hollywood), toch zit je de hele tijd op het puntje van je stoel als de man wanhopig probeert een megalomane net uit de grond gefloepte vulkaan te ontlopen. Wie zichzelf een tikkeltje hersenloos amusement gunt, wordt gegarandeerd meegesleept. Bovendien is zelfrelativering en gortdroge humor nooit ver weg. “Wow. That’s a big plain“-”It’s Russian” Oneliners zijn nog steeds helemaal in, en terecht.

"Dit zou wel eens nipt kunnen worden"

Toegegeven, het blijft allemaal niet duren. Het is nog best fun om zien hoe Emmerich zich uitleeft op instortende wereldvermaarde monumenten, zeker wanneer daar verdacht veel religieuze bouwwerkjes toe behoren. Het Christusbeeld van Rio en vooral de Sint-Pietersbasiliek die tienduizenden verzamelde, biddende gelovigen verplettert: bespeuren we daar wat cynisme en een atheïstische boodschap? Maar: eens de eigenlijke evacuatie begint, is het grotendeels gedaan met de ramptoeristenpret. Aan prachtige beelden geen gebrek, maar het tempo wordt er wat uitgehaald ten voordele van morele dilemma’s en wie Emmerich intussen wat begint te kennen, weet dat dit niet meteen de best mogelijke zet was. Een beetje een einde in mineur, zeker aangezien (SPOILER!) het uiteindelijke Salomonsoordeel niet meteen de geest van de film volgt. Maar laat ons daar nu ook weer niet al te erg om treuren. 2012 is al bij al wat je ervan mag verwachten: loeihard entertainment.

Tijs Vanderstappen

Carriers

Eén tegen allen

Voor wie het nog niet doorhad: het einde der tijden is in. We blikten eerder al vooruit op 2012 (waarover we zeer, zeer binnenkort eveneens een recensie zullen brengen, belofte maakt schuld) en in het zog daarvan vinden we ook Carriers terug. Geen klimatologische ramp alhier, wel een zich razendsnel verspreidend virus waar maar geen behandeling voor wordt gevonden. Verwacht dus ook geen onderliggende boodschap à la “we hebben het aan onszelf te danken”: waar het virus vandaan komt, doet simpelweg niet ter zake.

carriers

Trick or treat!

Net als in 2012 volgen we een klein groepje doorzetters op zoek naar een veilige verblijfplaats, in dit geval zo ver mogelijk van de rest van de niet meer zo talrijke mensheid. Centraal staan de twee broers Brian en Danny, die op een bloedband na weinig met elkaar gemeen blijken te hebben. En gelukkig maar, zonder de cliché conflictsituaties die hieruit volgen zou Carriers wel heel flauwe kost zijn. Heethoofd Brian (een uitstekende Chris Pine, u misschien nog bekend van de laatste Star Trek-film) interesseert maar twee dingen: in leven blijven en wat fun beleven onderweg. Danny daartegen is een man van principes, en dat zullen we geweten hebben. Om toch maar zo lang mogelijk met een gerust geweten rond te kunnen lopen, is de brave jongen zelfs bereid een wildvreemde, die best wel eens besmet zou kunnen zijn, de baas te laten spelen in plaats van zijn eigen broer. Dat Brian er op zijn eentje voor gezorgd heeft dat Danny überhaupt nog in leven is, lijkt bijzaak.

Brian’s vrouw Bobby (Piper Perabo) is al evenmin in staat moeilijke morele beslissingen te nemen en zou zonder manlief eveneens al lang onder de zoden liggen (“oh! een besmet klein meisje! laten we haar helpen!”). Voeg daar dan nog eens Danny’s vriendin Kate (maar niet liefje, voor zo ver dat relevant zou zijn) bij, een nobele onbekende voor Brian en Bobby, en je weet dat je op zijn zachtst gezegd spanningen mag verwachten. In theorie kan dat boeiende cinema opleveren. In Carriers pakt dat jammer genoeg al snel geheel anders uit.

Mondmasker opzetten? Bahneejong!

Het begint allemaal best aardig, met het viertal op weg naar het oude vakantiehuis van de broers. Zeker wanneer ze zich verplicht zien net ietsje dichter te komen bij enkele besmetten dan ze zouden willen (de plastic scheidingswand in de auto zorgt zo voor enkele leuke momenten). Maar al gauw verdwijnt elke vorm van logisch redeneren bij iedereen behalve Brian, die zich hoe langer hoe meer begint af te vragen waarom hij niet gewoon alleen vertrokken is. Als je het heel cynisch bekijkt, zijn Brians metgezellen nog ergere parasieten dan de eigenlijke viruscellen. Van die laatste weet je tenminste wat je mag verwachten. Overdrijven we? Oké, we hebben zelf nog niet een soortgelijke situatie vertoefd (hout vasthouden), maar desondanks durven we beweren dat onze reactie op een voorbijsnellende schim in een verlaten ziekenhuis niet zou zijn: “laten we eens een kijkje nemen”. Of toch niet ongewapend. Dolletjes.

Het moge duidelijk zijn: de schrijvers/regisseurs (de broertjes Pastor, bekend van The Peacemaker) hebben te laat ingezien dat de climax al in het eerst half uur werd bereikt, waarna ze zich genoodzaakt voelden om de meest onwaarschijnlijke situaties en beslissingen te laten volgen, teneinde het publiek tot de laatste minuut aandachtig te houden. Mission failed, kerels: de film was nog niet eens halfweg toen wat er nog zou volgen ons al niets meer kon schelen. We geven graag toe dat onze verwachtingen vooraf ergens ver onder de zeespiegel lagen. Achteraf bekeken was dat volledig terecht. Carriers is een beetje als 28 Days Later zonder zombies, maar jammer genoeg ook zonder doordacht script.

Tijs Vanderstappen



9

Fallout: Puppets

Wat moet het toch heerlijk zijn om de reputatie en het fortuin van Tim Burton te hebben. De meester van het macabere spotte vier jaar geleden het kortfilmpje 9 van Shane Acker (diens debuut), waarop hij de vanzelfsprekend overgelukkige jongeman de nodige middelen gaf om daar een volwaardige langspeler van te maken. Het origineel draaide rond een lappenpop in gevecht met een monsterlijke, zielopslorpende machine. Als u Burton een beetje kent, snapt u meteen waarom diens interesse gewekt was. Dat de kortfilm dat jaar ook een oscarnominatie kreeg, was voor hem in feite bijzaak.

Een gezellig familiefilmpje moet je uit de Burton-stal niet gauw verwachten.

De gelijkenissen met dat andere talent dat Burton op weg hielp, Henry Selick (The Nightmare Before Christmas, Coraline) zijn opvallend. Niet dat Acker ook aan stop-motion doet, maar toch. Eerst en vooral slaagt hij er net als Selick in ons mee te nemen in een heel eigen wereld. In dit geval is er dat één die zo goed als helemaal vernield werd door een oorlog tussen mens en machine. Een thema dat reeds inspiratie leverde voor saga’s als The Matrix en Terminator, maar hier een geheel eigen invulling krijgt. Niet de laatste overlevenden der mensheid vormen immers de laatste hoop van de planeet (die wel op de onze lijkt, maar toch eerder te situeren valt in een parallel universum), wel een verzameling tot leven gewekte popjes. Van mensen geen spoor meer, al wil dat niet zo heel veel zeggen want de actie beperkt zich in feite tot één enkele voormalige stad. Kan ook moeilijk anders met hoofdpersonages die passen van vijf centimeter zetten natuurlijk. De lieverdjes (hoewel) hebben zelfs een map nodig om van de kerk tot de nabij gelegen fabriek te raken. Het is echter net hun kikkerperspectief dat het desolate postapocalyptische landschap zo indrukwekkend maakt.

Om heel eerlijk te zijn: qua plot heeft 9 niet bijzonder veel om het lijf. De laatst gemaakte pop spoort de anderen op en probeert hen te overtuigen de strijd aan te gaan met de machines en hun minions, teneinde een door hen gevangen metgezel te redden. Vervolgens komen we het één en ander te weten over hoe het zo ver is kunnen komen, maar stel u daar vooral niet te veel bij voor. Acker speelt gewoon wat leentjebuur bij illustere klassiekers als Frankenstein en Metropolis. Geen nood: het duurt allemaal ook slechts 79 minuutjes. Het is alsof Acker nog niet klaar was voor een lang en complex verhaal en dit een noodzakelijk tussenstapje is. Daar hebben wij hoegenaamd geen problemen mee, wat hij hier aflevert is meer dan voldoende veelbelovend.

Desolaat, desolater, ..

Zelfs de personages zijn hier nog niet erg uitgediept, laat staan origineel. Ook hier gaat Acker dus de Selick-toer op. Het neutrale hoofdpersonage (iedereen moet er zich in kunnen herkennen), het dappere onbesuisde meisje (een soort Robin Hood-figuur), de contactgestoorde dromer die de sleutel van het geheim bezit, de lafaard die angst gebruikt om de rest aan zich te onderwerpen en diens rechterhand: een domme bruut die veel weg heeft van het marshmallowmannetje uit Ghostbusters, … De poppenmaker besteedde klaarblijkelijk ook bitter weinig aandacht aan uiterlijke franjes. Ze zijn dan ook op de wereld gezet met een praktisch doel, niet om er lieflijk uit te zien. Oké, sommige van de popjes kregen best wel wat eigenheid mee. Al was het maar dat de ene een oog mist, je moet ze als kijker uit elkaar kunnen houden. Acker is dapper, maar niet dom.

Dat alles draagt in ieder geval alleen nog bij tot de grimmige look van 9. De film moet het dan ook hebben van de sfeer die hij uitstraalt en die is op zijn zachtst gezegd niet rooskleurig. Verwacht ook niet dat de helft van uw favoriete speeltjes het einde van de nochtans korte film zullen halen. We waarschuwden enkele maanden geleden al dat Selicks Coraline niet meteen gefundenes Fressen was voor onschuldige kindjes. Wat moeten we dan zeggen van 9? Dat u een dappere ouder bent als u uw pagadders toch meeneemt naar dit prachtig uitziende sprookje? Bwah, u heeft de gebroeders Grimm overleefd: zij waren nu ook niet meteen de voorlopers van Studio 100, weetwel.

Tijs Vanderstappen

Up

The only way is.. down, blijkbaar

“Pixar doet het weer!” We werden de voorbije maanden om de haverklap om de oren geslaan met lofbetuigingen aan het adres van Pete Docter en de zijnen naar aanleiding van hun nieuwe spruit, Up. Zelf wisten we absoluut niet of we die commentaren wel mochten geloven. Zowat élk Pixar-product kreeg tot nu toe immers te maken met een dergelijke hype. Een parallel met de inherente kwaliteit is er echter niet. Voor elke topper (Monsters Inc., Wall-E en natuurlijk het revolutionaire Toy Story) waren er in onze ogen haast even veel over het paard getilde filmpjes van dertien in een dozijn (The Incredibles, A Bug’s Life, Ratatouille). Zelfs Finding Nemo liet ons zo goed als koud, hoe knap het er ook uitzag.

De inleiding van 'Up' is er één van een zeldzame schoonheid

Op papier leek Up echter de vergelijking met Wall-E aan te kunnen, wat ons het beste deed verhopen. Zo zou het eerste deel van de film weer een bloedmooi stukje woordenloze cinema bevatten, en zou de keuze van het hoofdpersonage nog gewaagder zijn (gewaagder dan een robot die hoop en al twee woorden kan uitspreken, dat moest wat zijn!). Na afloop moeten we concluderen: de lofzang was zowat voor de helft terecht. Het inleidende deeltje waarvan sprake bevat namelijk inderdaad een heerlijk aangrijpend overzicht van het volledige huwelijksleven van hoofdpersonage Carl en zijn vrouwtje Ellie. Daarbij worden moeilijke thema’s niet uit de weg gegaan: een onvervulde kinderwens, het tevergeefs sparen voor een reis naar hun beider Utopia (het Zuid-Amerikaanse Paradise Falls), Ellie’s ziekte, .. Niet evident voor een Amerikaanse mainstream-kinderfilm en aangezien wij niet genoeg kunnen krijgen van animatie waar (ook) volwassenen iets aan hebben, verdient dit van ons de nodige felicitaties.

Alleen is Up in hetzelfde bedje ziek als Wall-E, maar dan nog een graad erger. De climax wordt immers al bereikt tijdens het eerste half uur, en niets van wat nog volgt komt ook maar enigszins in de buurt. Waar Wall-E nog enigszins magie bleef bieden door de relatie met EVE, krijgen we in Up bij afwezigheid van Ellie een geforceerde haat-liefde band tussen de intussen stokoude Carl en het scoutsjongetje Russell waarover hij zich tegen wil en dank ontfermt. De zoon die hij nooit had? Please! De chemie is in geen velden of wegen te bespeuren, ook niet met de compleet onzinnige sidekicks: een zeldzame vrouwelijke reuzenvogel die door Russell ‘Kevin’ gedoopt wordt (Kevin voor een vrouw: lachen! haha!) en de oerdomme maar sympathieke hond Dug (Dug-dog, hebt u ‘em? haha!). Carl zelf komt overigens nog niet aan de hielen van Wall-E. Een oude brompot als lead: het klinkt best origineel, maar is het niet. Om de doodeenvoudige reden dat Carl enkel qua uiterlijk oud is, bijvoorbeeld. Hij is nog perfect in staat een triljoen ballonnen op te blazen en er zijn eigen huis mee de lucht in te sturen. En eens het avontuur in Paradise Falls goed en wel begonnen is, sprint en springt de kranige knar met gemak over ravijnen en door de jungle zonder ook maar een glimp van een hartaanval. Yep, Carl heeft meer weg van Indiana Jones toen die nog geen aliens  ontmoette, dan van onze opoe. En over de conditie van zijn nog veel oudere idool annex nemesis Charles Schultz gaan we al helemaal zwijgen.

Nu horen we u denken: so what? Is er dan iets mis met een bejaarde cartoonversie van Indy? Ach neen, maar kom dan asjeblief niet aandragen met termen als ‘pareltje’, ‘meesterwerk’ of ‘kunst’, godbetert. In zekere zin is Up een opeenvolging van twee films: een prachtige kortfilm als inleiding, waarna via een flinterdunne overgang een knotsgekke avonturenfilm begint. Jammer genoeg vermorzelt dat tweede deel haast elke herinnering aan het eerste. Ook al omdat er ter verantwoording nog geregeld verwezen wordt naar het verhaal van Carl en Ellie. Zij is immers de reden waarom Carl eropuit trekt en hun hele huis meezeult (zou ze zich zo vanuit het hiernamaals meer aanwezig voelen? was een foto of voorwerp van haar dan niet voldoende?). De onzinnigheid van het avontuur bij Paradise Falls (we besparen u de ‘plot’) banaliseert wat eraan voorafgaat.

Ten tijde van Wall-E was deze opbouw nog vernieuwend en kon de kloof tussen inleiding en de rest van de film afgedaan worden als een eerste stap in de goede richting. Met Up toont Pixar alleen aan dat er van een gunstige evolutie in dat opzicht geen sprake meer is. Natuurlijk bevat de film leuke momenten en grappen en grollen (de kaduke stemcomputer van de hondenleider! de ingeslikte tennisballen!). En natuurlijk is het grafisch allemaal adembenemend, het is niet toevallig de eerste Pixar-film die werd uitgebracht in 3D. Maar het wordt stilaan tijd dat we van Docter en co. wat meer beginnen eisen dat onschuldig entertainment. Waarom? Omdat ze zelf die verwachting opgewekt hebben, tiens.

Tijs Vanderstappen

The Proposal

Het is niet omdat 500 Days of Summer geweldig is en er de laatste jaren steeds vaker romcoms gemaakt worden die ook écht goed in elkaar zitten, dat er geen rommel meer wordt uitgebracht. The Proposal: ijskonijn van een baas (Sandra Bullock, alweer op het verkeerde pad beland) vergeet haar visum in orde te brengen, waarop ze een assistent (Ryan Reynolds, ditto) dwingt om met haar te trouwen voor een green card (ah ja, want anders is die jongen zijn kans op een carrière kwijt!). Hij neemt haar mee naar zijn familie in Alaska, want de immigratiedienst zal ook hen ondervragen om de fraude te ontmaskeren. Gevolg: madam ontdekt het gezellige familiale leven en verandert in iemand waar assistentjelief écht verliefd op kan worden. Zijn papa ontdekt echter het plannetje en ontmaskert hen bij de snode overheid, waarna ze toch doorgaan met de verloving en dat zal dan wel lukken zeker, want ze hebben elkaar echt wel gevonden. Hoe mooi. Zo, ik heb u een uur en zevenenveertig minuten huilen-met-de-pet-op bespaard. Dankbrieven zijn altijd welkom.

Tijs Vanderstappen

star

500 Days of Summer

‘t Is weer voorbij die mooie Summer

Boy meets girl. Boy falls in love. Girl doesn’t. Een goede filmslogan kan soms toch zo eenvoudig zijn. Onze interesse was alvast gewekt, zeker na de lovende kritieken van over de Grote Plas, waar 500 Days of Summer in juni reeds te zien was. Om nog maar te zwijgen van de aanwezigheid van twee van onze lievelingen en toekomstige sterren Joseph Gordon-Levitt (we blijven verwijzen naar Brick, tot u hem uiteindelijk koopt) en Zooey Deschanel (haar onwaarschijnlijk blauwe ogen zijn stilaan een handelsmerk van hetzelfde niveau als Scarlett Johanssons lippen). En we kregen meer dan waar voor ons geld. 500 Days of Summer biedt namelijk exact wat hij belooft: een goedlachs en toch hartverscheurend relaas van de stukgelopen relatie tussen Tom (Gordon-Levitt) en Summer (Deschanel), gaande van hun eerste tot hun laatste ontmoeting. Een wolk van een film, heet dat dan.

Debutant Marc Webb maakt dus een relatieschets, maar doet dat niet op een chronologische of systematische manier. Geregeld worden sprongen gemaakt van pakweg dag 20 naar 150 en weer terug. De euforische en tragische momenten wisselen elkaar voortdurend af, zonder dat er aanvankelijk veel lijn in zit. Toch stoort dat geenszins. De vele visuele trucjes van videoclipregisseur Webb en de (soms pijnlijk) grappige situaties maken immers dat je je nooit verveelt. Split-screens tussen wat Tom en Summer tezelfdertijd meemaken of tussen de verwachtingen van Tom en de realiteit, de straat die verandert in een grauwe lege pagina van een strip wanneer Tom als een gebroken man ronddwaalt, het IKEA-bezoek (product placement op zijn allerbest), Toms terugblik op situaties met Summer die hij zich tot dan toe te rooskleurig had herinnerd, … het zijn stuk voor stuk erg geslaagde experimentjes in de traditie van Annie Hall.

De kloof tussen droom en realiteit is een klap in het gezicht van Tom, en zo ook van de kijker.

Maar onder die oppervlakte is 500 Days of Summer vooral écht. De avond in de karaokebar staat bol van de uit het leven gegrepen emotie. En wanneer naar het eind van de film toe Summer Tom op hun lievelingsplek probeert te vertellen waarom hun relatie niet kon slagen, maar wel een o zo belangrijke en noodzakelijke fase in hun beider leven was, breekt je hart tegelijk met dat van Tom. De verdienste daarvan ligt haast volledig bij de acteurs, Gordon-Levitt op kop. Tom is dan ook het enige personage waar je van in het begin volledig hoogte van krijgt. De bijrollen zijn lekker karikaturaal: Toms twee beste vrienden zijn een oppervlakkige kerel die niets van de liefde moet weten en een bezorgde lolbroek die nog steeds samen is met zijn high-school sweetheart. Toms zusje is amper tien jaar oud maar heeft wel reeds alle relatiewijsheid in pacht (en valt in dat opzicht te vergelijken met het dochtertje uit Definitely Maybe). Summer zelf blijft dan weer de hele tijd raadselachtig as hell, wat niet meer dan logisch is. Het verhaal wordt nu eenmaal verteld vanuit Toms perspectief en het feit dat hij Summer absoluut niet begrijpt, is nu net één van de redenen waarom alles zo pijnlijk is verlopen.

Het beeld dat de teneur van de film perfect samenvat.

500 Days of Summer is een bizarre kruising geworden van Annie HallMemento en High Fidelity (de soundtrack is ook hier onweerstaanbaar) en dat werkt nog ook. Niet alle experimentjes en knipogen zijn even doeltreffend (de scène waarin de hele straat begint mee te dansen met een dolverliefde Tom sleept bijvoorbeeld al te lang aan), maar ze houden het geheel wel luchtig en verrassend. Uiteraard dienen ze ook om te accentueren hoe Tom zich op die momenten voelt, maar dat is dankzij de vertolking van Levitt niet eens meer nodig. Alleen jammer (SPOILER) dat één van de weinige lichtpuntjes (en wat voor één!) in het romcom-genre het originele en gedurfde uitgangspunt (niet elk liefdesverhaal kent een happy end) helemaal op het eind alsnog verloochent, of dat is toch onze interpretatie. De balans helt zo toch nog net iets te veel over naar de cliché-liefdesverhalen. Als hij vijf minuten vroeger was geëindigd, had 500 Days of Summer zelfs stichtend voorbeeld Annie Hall naar de kroon gestoken. Dju toch. Aan Marc Webb om volgende keer nog net iets beter te doen. Yes, he can.

Tijs Vanderstappen

starstarstarstar

Cult: Matador (1986)

Pedro’s proefstuk

Zet u schrap, want de komende weken/maanden gaan wij hier (naast de nieuwe releases, dat spreekt) aandacht besteden aan één van de meest eigenzinnige en toch commercieel succesvolle Europese cineasten van deze tijd: Pedro Almodóvar. Het plan is zijn gehele oeuvre (of toch dat van de recent verschenen DVD-box) onder de loep te nemen, maar onze wispelturigheid kennende wordt dat een haast onmogelijke opgave. Ach, on verra. Beginnen doen we in ieder geval hier en nu met Matador, uit het gezegende jaar 1986.

De schuchtere leerling-stierenvechter Angel wil zijn leraar en idool, de vroeg gepensioneerde matador Diego, bewijzen hoe mans hij wel is. Die laatste had hem immers vlakaf gevraagd of hij misschien homoseksueel was, aangezien hij nog nooit een meisje had versierd. De oplossing? Het liefje van de meester verkrachten natuurlijk! Die poging loopt echter op een sisser af, waarop Angel er niets beters op vindt dan een reeks passionele moorden te bekennen, wat dan weer de eigenlijke dader(s) begint te intrigeren. Yup, het minste wat je kan zeggen is dat Almodóvar al vroeg in zijn carrière interessante uitgangspunten wist te verzinnen.

Matador

Alsof er nog niet voldoende personages waren, moest Almodóvar ook nog eens een cameo voor zichzelf schrijven (midden, bovenaan).

Ook de rest van de film is in feite al vintage Almodóvar: passie, (bi)seksualiteit, alle mogelijke schakeringen van rood, bizarre personages (Angels extreem religieuze moeder, hun opgefokte advocate, Diego en zijn iets te aanhankelijke liefje), … Matador heeft het allemaal. Waarom kwam Almodóvars doorbraak er dan pas enkele jaren later met onder meer Mujeres al borde de un ataque de nervios? Laat ons zeggen dat de juiste ingrediënten dan wel gevonden waren, met de verhoudingen zit het nog niet helemaal snor. Almodóvar wil vooral veel te veel vertellen. Het eerste half uur draait volledig rond de persoonlijkheid van Angel (terecht, die knaap heeft issues zat) en de relatie met zijn moeder en zijn mentor Diego. Dat de focus vervolgens verschuift naar personages die niet achter de tralies zitten, is een verdedigbare keuze. Na verloop van tijd ontspoort Matador echter door een teveel aan verhaallijnen. Op die manier raakt de kern van het verhaal, de reeks lustmoorden en de kick van het doden op matadorwijze die er aan gelinkt is, al te vaak naar de achtergrond verwezen.

Veel verhaallijnen dus, en al even veel personages die er hun zegje over komen doen. Zo krijgt geen enkele rol de diepgang die hij verdient. Gelukkig wordt dat meer dan voldoende gecamoufleerd door de geweldige cast. Vooral Assumpta Serna en (inmiddels wijlen) Nacho Martinez als respectievelijk de advocate en de matador, doen wat Almodóvar zo verlangt van zijn acteurs: alle remmen losgooien en zich volledig inleven in hun nochtans erg karikaturale personages. Valse noot in het geheel is de piepjonge Antonio Banderas als Angel. Zijn internationale carrière dankt hij dan ook lang niet aan Matador, of het zou moeten zijn dat men hem in Hollywood enkel heeft onthouden voor zijn looks. In ieder geval is Banderas hier vreselijk miscast. Geen moment komt Zorro hier geloofwaardig over als de contactgestoorde loser die Angel zou moeten zijn. Almodóvar is gekend voor zijn fetishacteurs (zie ook Penelope Cruz en Victoria Abril), maar wist destijds duidelijk nog niet dat niet élke hoofdrol weggelegd was voor zijn persoonlijke favorieten. Dat is echter geen schande, illustere collega’s als Martin Scorsese hebben dat nog steeds niet door.

Banderas aka Angel: "Neen, de meisjes zien mij echt niet staan!" Right.

Al bij al is Matador in de eerste plaats een boeiend kijkstuk vanwege het ontluikende talent van één van de interessantste hedendaagse regisseurs. Een noodzakelijke stap in zijn groeiproces, zoals dat heet. Dat betekent ook meteen dat enkel idolate Almodóvar-fans er bijna twee uur lang non-stop van zullen kunnen genieten. Maar voor wie met iets minder ook al tevreden is, biedt Matador al voldoende knappe vondsten, zowel stilistisch als narratief. De eerste en laatste scène, niet toevallig, staan allicht nog jaren op ons netvlies gebrand. En wanneer het volgens u dan toch even de verkeerde kant opgaat: aan uw DVD-speler zit een handige fast forward-knop.

Tijs Vanderstappen

starstarhalf star


The Brothers Bloom

De aanhouder wint

Weinigen hebben ooit de rollen zo voor het uitkiezen gekregen als Adrien Brody na zijn glans- en oscarprestatie in The Pianist. Dat overaanbod heeft hem sindsdien echter zelden van de wijs gebracht. Brody zorgt dat hij steeds in the picture blijft met doordachte carrièremoves als King Kong, The Village of Cadillac Records. Maar daarnaast doet hij gewoon waar hij zin in heeft. Dat levert natuurlijk niet altijd een goede film op. Zo is Brody dit jaar te zien in de ondermaatse mysteriethriller Giallo, maar hij heeft daar toch maar mooi gewerkt met levende legende Dario Argento. Een gerechtvaardigde misser, met andere woorden. Het is overigens niet voor het eerst dat Brody zich bij een project aansluit enkel en alleen vanwege de regisseur. Gelukkig vallen die gokjes meestal wél bijzonder goed uit. De tragikomische roadmovie The Darjeeling Limited van Wes Anderson werd in grote mate dankzij Brody één van onze favorieten binnen het lichtjes absurdistische genre.

Het is ook die draad die Brody nu weer oppikt met The Brothers Bloom. Regisseur (en scenarist) van dienst, en dus ook meteen de reden waarom we Brody hier te zien krijgen, is Rian Johnson. Een naam die in weinig huiskamers een belletje doet rinkelen, maar Johnson is de man achter Brick, de grootste undergroundhit van 2005. Daarin werd een high school-drugsnetwerk in een intellectueel aandoend film noir-kleedje gestoken. Wat dat voor geniaals oplevert, moet u vooral zelf eens bekijken. Johnson werd in indie-middens alom bejubeld en zijn naam sijpelde onvermijdelijk door tot bij de grote studio’s (The Weinstein Company, jawel). Gevolg: Johnson beschikte voor zijn volgende project over een veel groter budget, maar heeft er wel wat vrijheid voor moeten opgeven.

De broertjes samen met hun slachtoffer, of is het partner in crime?

En dat merk je aan The Brothers Bloom, een komische heistmovie (‘kraakfilm’ in veel te verzorgd Nederlands) over twee broers voor wie oplichten een sport is geworden. Eén van hen (Brody) is nu het constante liegen en bedriegen grondig beu en wil eindelijk eens zichzelf kunnen zijn, voor hij het laatste restje van zijn identiteit verliest. De andere (Mark Ruffalo), het brein achter de meeste van hun plannen, stelt voor om nog één laatste slag te slaan. U merkt het: Johnson blijft hier wel erg trouw aan de cliché’s van het genre. Daar verandert de intrede van slachtoffer Penelope (Rachel Weisz) niet veel aan. De crush van één der broers op het arme dametje zie je bijvoorbeeld van kilometers ver aankomen.

Gelukkig heeft The Brothers Bloom onder de oppervlakte heel wat meer te bieden. De proloog waarin de jeugd van de broers wordt besproken, voelt aan als een kruising van Wes Anderson (een tip van Brody? wie zal het zeggen?) met de sprookjesachtige inleidingen van het onvolprezen serietje Pushing Daisies. Ook het veelvuldig maar gericht gebruik van schreeuwerige kleuren doet overigens sterk aan dat laatste denken. De snelle opsomming van de bizarre hobby’s van Penelope komt dan weer eerst wat flauw over, maar wordt met de seconde grappiger (en absurder). Dat geldt ook voor enkele running gags, die eerst wat onnozel en nutteloos lijken, maar naar het einde van de film toe wel een subtiele grande finale krijgen. Neem nu de ontploffingsdrang van het hulpje van de broers, Bang Bang (ja, zelfs de naam is te cliché voor woorden). Wel, gelooft u ons vrij: uiteindelijk krijgt u te zien waarom Johnson die karaktertrek terecht volledig uitperst.

Bang Bang is weer iets te gul met explosieven.

Maar The Brothers Bloom past niet in het veelgebruikte kader “let niet op het verhaal, geniet van de situaties en personages”. Want Johnson wil meer doen dan ons anderhalf uur ontspanning te bieden. Hij wil ons net als Anderson (again) ontroeren en doen lachen tegelijkertijd. Maar daar is hij dit keer niet in geslaagd. Omdat de kunst net is om dit te doen in eenzelfde scène, terwijl het hier om geforceerde emotionele intermezzo’s tussen de humoristische momenten gaat. Net iets te schools dus, waardoor het wel erg nep overkomt wanneer één der personages weer eens in mijmeringen vervalt. Dat kunnen zelfs de drie geweldige hoofdacteurs niet vermijden, al verdienen ze wel een pluim for trying. Echt klagen gaan we overigens niet doen: Johnson heeft toch nog een deel van zijn eigenheid kunnen behouden en tegelijk een degelijk en grappig (zij het snel vergeten) werkje afgeleverd. Dat is meer dan wat je van de overgrote meerderheid van talenten die de overstap maken naar Hollywood kan zeggen. Je moet maar denken: ze hadden hem evengoed kunnen verleiden om, we zeggen maar wat, de nieuwe Bond te regisseren. Daar is Johnson toch maar mooi aan ontsnapt. En Brody met hem.

Tijs Vanderstappen

starstarstar

De Helaasheid Der Dingen

Het wonder is geschied, het wonder is geschied, …

Het valt haast wonderbaarlijk te noemen hoe pijlsnel Felix Van Groeningen evolueert als cineast. In Dagen Zonder Lief was al geen sprake meer van de spookachtige beelden die vooral veel leegte moesten verhullen in Steve+Sky. Sindsdien weten we: Van Groeningen heeft ook echt iets te vertellen en kan, met dank ook aan Arne Sierens, zijn personages een oprechtheid en zelfs gelaagdheid meegeven waar Jan Verheyen alleen maar kan van dromen. In De Helaasheid Der Dingen gaat hij daar nog een pak verder in. Zelden kende een Vlaamse topfilm, want dat is het, zulke natuurlijke dialogen.

En dat is maar goed ook, gezien het milieu waar het verhaal zich afspeelt: het Aalsterse platteland (Reetveerdegem, we kid you not) van de jaren ‘80. Naaktfietsen, het wereldrecord zuipen, meebrullen met Roy fuckin’ Orbison, Tour de France met bier, agressie tegen deurwaarders,.. met ook maar een tikkeltje verheven taalgebruik val je dan genadeloos door de mand. We durven stellen dat zelfs de oorspronkelijke tekst van de vulgairste aller dichters Dimitri Verhulst af en toe noodzakelijke aanpassingen moest ondergaan bij deze beelden.

Cute én dramatisch: Gunther Strobbe met zijn alweer ladderzatte vader

Cute én dramatisch: Gunther Strobbe met zijn alweer ladderzatte vader

Met de autobiografische roman van Verhulst had Van Groeningen natuurlijk al snel een pracht van een scenario om mee te werken. Zijn aanpak getuigt echter van een enorm vakmanschap. De sprongen in de tijd worden precies op het juiste moment gemaakt, de registers worden net niet te veel opengetrokken wanneer de volwassen Gunther Strobbe zijn verdriet om wat hij achterliet uitschreeuwt. Daar dragen ook de acteurs in grote mate toe bij. De beide Gunthers, Valentijn Dhaenens en de toen 15-jarige Kenneth Vanbaeden, beleven terecht hun grote doorbraak. Maar het zijn Koen De Graeve (vader Cel Strobbe) en Johan Heldenbergh (nonkel Breejen Strobbe) die zich als een vis in het water voelen in de marginaliteit en dan ook met gemak de show stelen. De Graeve speelt zowat zijn meest tragische rol ooit als slaande en zalvende vader met een alcoholprobleem, maar weet tevens als bij wonder de luchtigheid van het geheel te redden. Opnieuw, het kan niet genoeg worden benadrukt, dankzij het nagenoeg perfecte gevoel voor timing van Van Groeningen.

Van Groeningen bewijst met deze oerdegelijke, hartverwarmende tragikomedie dan ook vooral dat hij een volwassen regisseur is geworden. Dat moeten we toejuichen, want zo vele Vlaamse rastalenten voor hem zijn nooit zo ver geraakt. En toch. Wat ons betreft had zijn ontpopping toch nog iets langer op zich mogen laten wachten. Want de experimentele reis daar naartoe was toch zo verduiveld interessant. Zo zijn er nu geen volgehouden mysteries meer, alles moet expliciet worden gemaakt. De nochtans al bij al geslaagde voice-over is daar een pijnlijk goed voorbeeld van. Weg is de poëzie, neen, kunst uit het voorts niet geheel foutloze Dagen Zonder Lief, waar we destijds niet genoeg van konden krijgen. Daar keert Van Groeningen wellicht nooit meer naar terug. Als hij dat voor zichzelf nog niet beslist zou hebben, zorgt de huidige en deels door hemzelf veroorzaakte mediahype rond De Helaasheid.. daar wel voor. We verwelkomen een nieuweling in de Galerij der Vlaamse Meesters, maar nemen met pijn in het hart afscheid van een bij momenten geniale innovator.

Tijs Vanderstappen

starstarstarhalf star